Korte Broek 18

kbkop0018

Zo. De vakantieperiode zit er weer op. Dus dan ligt er een nieuw verhaaltje klaar. Zoals het hoort. Want wat is er nu leuker dan jezelf met een kan koffie opsluiten in je man-den en de zon negeren terwijl je vingers over het toetsenbord glijden? Niets toch? Nou dan.

Voor het eerst in uren kijkt Jort omhoog, door het raampje van de blokhut waarin hij verstopt zit. De lucht is niet langer zwart, het licht verovert langzaam de hemel, het is ochtend aan het worden, eindelijk. Hij voelt nu pas hoe koud zijn lijf eigenlijk is. Sinds gisteravond zit hij hier, op de koude vloer van het kleine houten blokhutje. Hij glimlacht en kijkt weer naar beneden, naar zijn goede vriend Arno, wiens hoofd rust op de schoot van Jort. Arno ademt niet meer, hij is dood. Jort aait hem door zijn halflange haar, “slaap lekker” fluistert hij. Voorzichtig duwt hij Arno van zijn schoot af en staat op.

 

 

Ze hadden het zo goed doorgesproken, en zelfs geoefend in een rollenspel, maar nu het dan eindelijk zover is, is Jort aanzienlijk zenuwachtiger dan hij verwacht had. Het feit dat ie zich daar zo bewust van is maakt het alleen maar erger. Wat als hij een fout maakt door deze stomme zenuwen? Hij wil er niet aan denken en schudt zijn hoofd flink door elkaar in een poging de negatieve gedachten eruit te kloppen. Het lukt niet. Hij vermoedt dat de bivakmuts op zijn hoofd de twijfels op hun plaats houden.

“Check! We gaan!” Van achteruit de winkel komt zijn vriend aan gehold. Een grote sporttas schudt heen en weer aan zijn schouder. Jort herinnert zich het plan, en gebaard naar de kassières en de klanten dat ze naar de achterkant van de winkel moeten rennen, met de handen voor de ogen. Die volgen de orders direct op, uit angst voor het groot uitgevallen pistool dat Jort op hen gericht heeft.

De acht aanwezige mensen rennen langs de shampoo en lippenbalsem als Arno naast Jort stopt. Ze kijken elkaar aan, knikken even. “Voor het goede doel…” fluistert Arno. De twee mannen richten hun pistolen op de rennende mensen en halen de trekkers over.
BENG
Het Chinees-ogende meisje dat de babyvoeding bijvulde toen ze binnenkwamen valt met een smak om, in het rek met haarproducten. Er wordt gegild, en meer geschoten. Er vallen nog vier mensen om voor Jort Arno op de schouders tikt. “Het is gedaan”. De twee gooien de pistolen Hollywood’esk van zich af en rennen de winkel uit, de hoek om, het steegje in. Daar staat het autootje, een Toyota Starlet, dat Arno gisteren op het laatste moment gestolen heeft. Hij had al eerder geprobeerd een vluchtauto te regelen, maar hij kreeg het nooit voor elkaar de opengebroken auto te starten zonder sleutel. Maar bij deze Starlet lukte het eindelijk wel. Rustig rijden ze weg, vechtende tegen de adrenaline die zich meester van hun tracht te maken. De bivakmutsen trekken ze van hun bezwete hoofden en ze giechelen het uit.

 

“Waarom in godsnaam een Kruidvat? Iedereen pint daar toch?” Jort glimlacht. “Dat klopt.” “Waarom dan een Kruidvat?” vraagt Arno nog eens. “Omdat de mensen die daar werken echt geen ene flikker geven om hun werk. Het maakt ze geen fuck uit of je ze berooft of niet.” “Ja, en?” “Het gaat niet om het geld Arno, het gaat om het signaal dat we geven.” “Maar toch, een Kruidvat…” “Ze rekenen daar echt niet op overvallers, alleen maar op winkeldieven.” Arno schudt zijn hoofd, “en toch, ik weet het niet. Twee homo’s die een drogisterij overvallen… Is dat niet juist het beeld dat we willen ontkrachten, dat we allemaal mietjes zijn?” “Er werken veel Moslims…” beargumenteert Jort. Arno knikt instemmend. “Goed punt, we doen het.”

 

Jort en Arno vierden samen, heel ingetogen het feit dat ze al een jaar lang samen waren. Ze waren uit eten geweest in een, voor een gemiddeld inkomen, dure tent, en liepen hand in hand naar huis. Het was een erg geslaagde avond geweest waarbij ze eindeloos fantaseerden over de doel van hun bestaan. Arno had het idee dat zij voorbestemd waren voor grootse dingen. De twee flessen champagne hadden hun gevoelens voor elkaar alleen maar versterkt. Ze wisten allebei dat ze hun eerste jubileum, zodra ze thuis waren, ook fysiek gevierd zou worden. En heftig ook. Ze waren al bijna in de straat waar Arno een eigen appartementje had toen het gebeurde. Een groepje jongens, vermoedelijk Marokkaans, sprak ze aan, ze vroegen ‘of ze soms kankerhomo’s waren, omdat ze hand in hand liepen’. Na een korte woordenwisseling kregen Arno en Jort een paar klappen en schoppen waarna de jonge jochies hard weggerend waren.

 

 

De volgende dag zaten ze samen te huilen op de bank in Arno’s appartementje. Ze kwamen net van het politiebureau, ze hadden aangifte gedaan. De dienstdoende agente had ze nauwelijks serieus genomen. Ze had iets gezegd in de trant van “tja, die dingen gebeuren nu eenmaal.”

“Weet je” stottert Jort, “die kleine huftertjes, die hebben geen respect voor ons.” Arno antwoordt niet en kijkt afwezig naar een poster aan de muur. “En weet je waarom?” “Nou?” “Omdat die kutmarrokaantjes alleen maar respect hebben voor geweld en angst. Ze kijken niet voor niets alleen maar Scarface.”

Een paar uur later was het plan geboren. Jort en Arno hadden bedacht dat er nooit een legendarische homoseksuele (al dan niet echt bestaande) bandiet geweest was. “Misschien is dat onze bestemming wel” had Arno geopperd. De fantasieën werd de vrije loop gelaten. Ze zouden als een ware Bonnie en Clyde op rooftocht gaan door het hele land, na elke overval zouden ze meer en meer respect afdwingen en uiteindelijk hield het volk van ze, zelfs de moslimjeugd. Natuurlijk zouden ze uiteindelijk doodgeschoten worden, maar dat hoorde er bij. Zij zouden Clyde en Clyde zijn, de twee homo’s die de wereld veranderden.

 

Het kleine gestolen Starletje liet ze niet in de steek. Met gillende sirenes kwamen de politieauto’s ze tegemoet. Maar ze reden gewoon verder, naar de plek des onheils. Jort en Arno konden rustig verder rijden, terug naar het oude blokhutje in het bos, dat hun uitvalsbasis zou worden.
Ze waren op nog geen tien minuten rijden van het bos, toen er plots een politiewagen achter ze reed. “Doe relaxed, doe relaxed, doe relaxed” zei Arno wel honderd keer tegen Jort. Toen de politiewagen het stopsignaal gaf had Jort het gaspedaal flink ingedrukt. Binnen 60 seconden stond de auto stil, in een greppel. Van de weg gespind tijdens het nemen van een bocht. In de films gaat dat toch makkelijker.

 

Jort en Arno kijken elkaar aan. “Shit” zegt de een, “geen probleem” zegt de ander. “Het begint gewoon al eerder.” Arno kijkt in de achteruitkijkspiegel en ziet twee agenten met getrokken pistool op hen afkomen. “Laden” zegt hij kortaf, wijzende naar het pistool in Jort’s hand. Ze kijken elkaar glimlachend aan en delen een korte zoen. “Nu” zegt Arno, weer kortaf. Ze stappen uit en schieten op de agenten. Eentje gaat er direct naar de grond, de andere schiet nog tweemaal voordat Jort hem vol in het gezicht raakt. “Ik heb ze!” gilt hij enthousiast uit. Maar hij krijgt geen antwoord. Hij kijkt naast zich. Daar ligt Arno. Er rode vlek op zijn buik wordt groter en groter, de agent heeft hem geraakt.

 

“Waar gaan we heen?” fluistert Arno in Jort’s oor. “Naar de blokhut, we zijn er bijna.” “Moet ik niet naar het ziekenhuis?” “Nee, dan is alles voor niets geweest.” “Ik weet niet of ik nog wel kan lopen…” stamelt Arno. “Je hoeft niet, ik til je wel, we zijn er bijna…” “Jort?” “Ja?” “Blijf je bij me tot het zover is?” “Ik beloof het.” “De hele nacht?” “De hele nacht…” “Ik hou van je.” “En ik van jou.”

 

 

Leave a Reply