Tag Archive for De Pers

5: Koude oorlog (Deel II)

(Voor deel I, klik hier)

Felicia staat met grote ogen van verbazing te kijken. Ze is zeker enkele seconden bezig, voordat ze door heeft wat er gaande is. Tegenover haar staat een vrouw van middelbare leeftijd met een clichématig uiterlijk. De vrouw is woest. Ze vloekt, tiert, scheldt en is helemaal over de rooie. De man uit de groene bus stapt uit. “Mevrouwtje, mevrouwtje, doe effe rustig zeg.” zegt hij. Jens en Ivo doen enkele stappen achteruit. Om duidelijk te maken dat zij ook geen idee hebben waarom Hannie plotseling aan het doorslaan is. “Waar bemoei jij je mee!? Smerige kakkerlak! Flikker een eind op! Dit is ons station, onze plek! Tyfuslijder!” krijst Hannie tegen de man uit de bus. Felicia komt weer een beetje bij. Ze kijkt achter haar. De studentes staan met open mond te kijken naar wat er gaande is. Ze wendt haar blik weer naar Hannie, die inmiddels slechts enkele centimeters van de man uit de bus is gaan staan. Hannie maakt zich zo groot als ze kan terwijl ze hysterisch krijst. “Sodeflikker op! Of ik trap die ranzige tyfuskop van je tot pulp! Ik schop je helemaal in mekaar! Teringhond!” De paar forenzen die voorbij komen lopen, onderweg naar hun treinen, kijken verbaasd naar de situatie die gaande is. Hannie blijft schelden en tieren, ze lijkt steeds meer van slag te raken. De man uit de bus verliest eindelijk zijn geduld. “Doe effe normaal, halve gare graftak!” blaft hij haar toe, en hij duwt haar van zich af. Dat had hij beter niet kunnen doen. Direct duikt ze boven op hem. Ze slaat, krabt en schopt. De man kan niets anders dan zichzelf verdedigen en uit pure wanhoop geeft hij Hannie een stomp vol in het gezicht. Ook bij Felicia lijkt iets te knappen. Zij duikt nu vol op Hannie en begint in te slaan op haar hoofd. De rest van de studentes twijfelt even maar in één soepele beweging mengen ook zij zich in de strijd. Hannie gaat naar de grond, de meisjes blijven op haar inschoppen, en schelden. Jens en Ivo kijken elkaar verbaasd aan. Jens twijfelt. Zijn geweten begint aan hem te vreten als hij die vrouw van middelbare leeftijd daar zo ineengedoken ziet liggen terwijl er acht studentes en één man op haar staan in te schoppen. Hij doet een stap naar voren. “Jongens, kappen nou, zo is het genoeg” stamelt hij. Niemand lijkt hem te horen. Hij herhaalt het eens, maar nu wat harder. “Kom, kappen nou!” zegt hij hardop. De man uit de bus lijkt hem te horen maar het gewenste resultaat heeft zijn ingrijpen niet. Voordat hij doorheeft wat er gebeurt schiet er een enorme pijnstoot vanuit zijn kaak door zijn hele hoofd. Jens zakt gelijk door zijn knieën. Bam! Een voet, duidelijk in een damesschoen, komt op zijn gezicht af. Een doffe klap en direct dat gevoel van warm stroop dat over zijn gezicht loopt. Zijn hoofd klapt op de straatstenen. Hij ziet een vage waas van een blauw-rode jas zich uit de voeten maken. Nog een schop in zijn gezicht. Nu ziet hij niets meer. Hij hoort alleen het hysterische gegil en gescheld van een aantal meisjes en één man. Nee. Twee mannen, of drie? Hij voelt de puntschoenen in zijn gezicht, op zijn rug, op zijn achterhoofd. Hij hoort de doffe klappen als ze hem raken. Maar hij hoort nu duidelijk drie mannenstemmen die tegen elkaar schreeuwen. Hij verstaat er niets van. Het schoppen wordt minder, stopt zelfs. Hij durft zijn ogen weer te openen. De man staat met zijn gezicht tegen de bus gedrukt door een enorme kerel in donkerblauwe kleren en met een fel geel hesje aan. Een politieagent. Hij rolt om. Daar ligt Hannie. Haar gezicht is op diverse plekken opengereten. Overal zit bloed. Ze beweegt niet. Naast haar ligt één van de studentes op de grond, met een andere politieagent op haar rug. De studente wordt geboeid. Er wordt nog steeds veel gekrijst. Ivo is nergens te zien. De ietwat minder zwarte hemel wordt opgelicht door rode en blauwe flitsende lichten. Jens doet zijn ogen weer dicht. Hij is moe. Hij wil slapen.

Enkele uren later wordt hij wakker. Hij ligt op zijn rug. Zijn hele lijf doet pijn. Langzaam tilt hij zijn arm op. Hij voelt zijn spieren protesteren. Voorzichtig voelt hij aan zijn gezicht. hij voelt een hoop bulten en op sommige plekken kleine harde draadjes die hij herkent als hechtingen. “Gaat het jongen?” klinkt het plots naast hem. Eventjes schrikt hij. Dan beseft hij waar hij is. Hij is thuis. In de woonkamer. Op de bank. “Die hufters hebben je goed te pakken gehad” zegt de stem nu. Hij herkent de stem als die van zijn vader. “Hannie?” is het enige dat Jens kan uitbrengen. “Die vrouw?” vraagt zijn vader. Jens knikt. “Die… die ligt in het ziekenhuis. Ze ligt in coma.” Jens bijt op zijn toch al pijnlijke lip. “En Ivo?” vraagt hij. “Die andere collega heeft weten te ontkomen” vertelt zijn vader. Jens voelt het prikken van zijn tranen in zijn wonden. “Doe maar rustig aan Jens.” zegt zijn vader. “Je hebt geluk gehad, wat snijwonden en kneuzingen. Niets ernstigs.” “Ik wil morgen gewoon weer werken” zegt Jens. Zijn vader knikt.

De volgende dag staat Jens weer vroeg op het station. In plaats van twee collega’s zoals de dag ervoor staan er nu zeker zestig. Ivo is er niet bij. Hij wordt door zijn collega’s op de schouder geklopt, iedereen vraagt hoe het met hem gaat. De witte bus komt aanrijden. De neger kijkt verbaast naar de enorme hoeveelheid rood-blauwe jassen. “Waaroem zoe viel van joelie?” vraagt hij aan een grote brede man die vooraan staat. “Voorzorgsmaatregel” antwoord de grote brede man terwijl hij de stapeltjes kranten aanpakt. De eerste forenzen van de dag lopen met een grote boog om de grote groep krantenuitdelers heen. Jens snapt er weinig van. Een oudere vrouw, van misschien wel zeventig jaar, komt nu op hem af. “Heb je het al gehoord?” vraagt ze hem. “Hannie ligt nog steeds in coma.” Jens knikt. “Ik weet het.” Dan ontstaat er wat rumoer aan de andere kant van de groep. Het stemgeluid neemt plotseling enorm toe. Jens loopt erheen om te zien wat er gaande is. Dan ziet hij het. Met grote snelheid komen er vier… zes, nee, wel tien groene busjes aangereden. Allen met witte letters op de zijkant. Ze toeteren. Vanaf de andere kant klinkt plots geschreeuw. Jens schrikt, iedereen met een blauw-rode jas schrikt. Vanaf de andere kant van het station komen plots zeker vijftig opgefokte studenten, allen gehuld in groene jassen en gewapend met stokken, paraplu’s en andere prullaria. Er wordt gegild, geschreeuwd. Jens’ collega, die naast hem staat, trekt een ploertendoder uit zijn jas, de zeventig jarige vrouw tovert een enorm slagersmes tevoorschijn. De groene busjes stoppen met gierende banden op het plein, de deuren slaan open. Nog meer studenten, gehuld in groene jassen, duiken eruit en rennen op de blauw-rode groep af…

5: Koude oorlog. (Deel I)

Ivo, Jens en Hannie staan voor het station te wachten. Het is nog donker en zelfs de lantarenpalen verlichten het plein nog nauwelijks. Een enkele forens slentert het station reeds binnen. Er hangt een voorzichtige vorst in de vroege ochtendlucht die extreem koud aanvoelt door de stevige wind. Vooral de amper achttien jaar oude Ivo is helemaal ingepakt. Maar nog steeds staat hij te klappertanden. Jens en Jannie hebben het er wat minder moeilijk mee en lijken zowaar al enigszins wakker. Want ze zijn al opgewekt aan het discussiëren over allerlei huis, tuin en keuken onderwerpen. Hannie, een vrouw die vermoedelijk de vijftig ondertussen wel gepasseerd moet zijn, is daar erg goed in; praten met jongeren. Haar devies is altijd geweest om de jonkies, zoals Jens en Ivo, goed op hun gemak te stellen. Dan zouden ze aanzienlijk minder moeite hebben met het aanspreken van wildvreemden die én haast, én een ochtendhumeur hebben. Hannie vertelde nieuwelingen, zoals Jens vandaag, altijd dat dit misschien wel het moeilijkste baantje is dat ze ooit heeft gehad. “Het gaat echt om het lezen van mensen, dat je in een fractie van een seconde al ziet, dit gaat geen zin hebben, die sla ik over.” Ivo kent de verhalen van Hannie al ruimschoots, hij doet dit werk al een maand of zeven. Hij heeft er een bloedhekel aan maar hij moet toch iets doen om aan zijn geld te komen. Sommigen vullen vakken, anderen wassen af, hij deelt gratis krantjes uit op het station. Hij heeft een enorme behoefte aan een sigaret maar in zijn rood-blauwe werkjas mag hij niet roken. Dat zou slecht zijn voor het imago van de krant. In de verte ziet hij het witte busje aan komen rijden. Het busje dat elke dag de stapels kranten komt brengen. Ivo heeft soms medelijden met Hannie die de krantjes, dag in, dag uit, aan de reizigers uitdeelt terwijl ze hen een prettige dag wenst. Hijzelf doet dit maar één keer per week. Liefst op donderdag, zoals vandaag. Het eerste half uur is altijd het ergste. Dan komen er nog nauwelijks mensen langs. Dan verveelt hij zich vooral. Vandaag is dat niet anders. Het busje stopt voor hen. Een donkere man stapt uit, opent de schuifdeur en trekt een aantal pakken kranten uit de laadbak die hij achteloos voor Hannie’s voeten op de grond gooit. Hannie wenst de man nog opgewekt en beleefd een hele goedemorgen, maar zoals elke dag bromt de neger wat onverstaanbaars en rijdt dan weer weg in zijn witte busje. Op naar het volgende uitdeelpunt.
Hannie is nog bezig met het open knippen van de eerste stapel kranten als er weer een busje voor hen stopt. Een groene deze keer. Er wordt een raampje opgedraaid en de zware walm van nicotine maakt Ivo eventjes helemaal warm van binnen. “Hé, hebben jullie mijn collega’s toevallig gezien?” zegt de bestuurder van het busje net iets te hard. Hannie kijkt de man aan. “Waar ben jij van dan?” “Ja euh, van Metro natuurlijk” en met zijn duim wijst hij naar de enorme witte letters die op de zijkant van het busje staan. Hannie’s gezicht verschiet van kleur. “Die zijn hier niet”, bijt ze de man toe, “die staan hier niet meer”. Hannie is plots getransformeerd in een felle tante. De man kijkt op een briefje dat hij op zijn dashboard heeft liggen. “Nee, ik moet vanaf vandaag toch echt weer hier zijn, kijk maar.” Hij laat Hannie het briefje zien en ze trekt wit weg. Voordat ze wat zeggen kan staan er een achttal studentes naast haar. Eén van hen heeft een clipboard in haar handen en een grote zwarte sporttas om haar nek. “Hoi, ik ben Felicia” zegt ze tegen de man in het groene busje en geeft hem een hand door het open raampje heen. “Gooi ze er hier maar uit hoor, dit is een mooie plek.” De man stapt uit en begint ook stapeltjes kranten uit zijn wagen te laden. “Rot jij eens effe een tyfuseind op, smerige teef!” schreeuwt Hannie plotsklaps over het stille stationsplein. “Ga effe lekker een teringeind verderop staan, met je grafkrant!” Felicia kijkt Hannie met grote verontwaardigde ogen aan. “Pardon?”

WORDT VERVOLGD